Wanneer je ACT-interventie niet landt
Soms werk je rond een relevant ACT-proces en toch lijkt je interventie niet helemaal te landen. Misschien gaat het dan niet alleen om WAT je doet, maar ook om HOE je het aanbiedt. In dit artikel verken ik hoe afstemmen op de ingang van je cliënt, via denken, voelen of doen, een extra laag kan toevoegen in het flexibel werken met ACT.
Afstemmen op proces én ingang: flexibel en integratief werken met ACT
Als integratief psychotherapeut ben ik fan van procesgericht werken: niet een vooraf uitgestippeld protocol volgen, maar kijken naar wat er bij deze cliënt, in deze context en op dit moment gebeurt om vervolgens flexibel te schakelen tussen de verschillende ACT-processen.
Dat flexibel schakelen zorgt ervoor dat je meer kan afstemmen op wat je cliënt op dat moment nodig heeft. Een beetje zoals Dancing with the Stars in de therapiekamer dus (zonder de glitterpakjes).
Toch merkte ik doorheen de jaren dat dat dansen soms alsnog wat stroef verliep. Want zelfs wanneer ik het gevoel had dat ik rond een relevant ACT-proces werkte, zag ik dat een interventie niet altijd ‘landde’ bij een cliënt. Reflectievragen werden gevolgd door heel veel “Ik weet het niet”. Stilstaan bij een gevoel riep weerstand op (“te zweverig”). Of cliënten wilden alleen maar concrete stappen zetten of tips krijgen, zonder goed te weten wat ze nu eigenlijk wilden of voelden.
Vanuit de integratieve psychotherapie leerde ik dat dit te maken kan hebben met de ingang van de cliënt (met nadruk op ‘kan’, want het is uiteraard zeker niet de enige reden waarom een interventie niet landt). De ene cliënt zit gemakkelijk ‘in zijn hoofd’, de andere leeft meer vanuit zijn gevoel en nog een andere wil vooral doen. En haal je iemand in het begin van een begeleiding te ver uit zijn vertrouwde manier van functioneren, dan wordt er weleens afgehaakt. Hoe zou je zelf zijn natuurlijk.
Dat idee maakte me nieuwsgierig naar een tweede vorm van afstemming.
Niet alleen: welk ACT-proces vraagt aandacht (WAT)? Maar ook: hoe kan ik daaraan werken op een manier die past bij de ingang van mijn cliënt (HOE)?
Proces en ingang
Ik begon wat te experimenteren met proces én ingang. In het begin van mijn begeleiding stemde ik ACT-interventies relatief sterk af op de voorkeursingang van mijn cliënt, ongeacht het ACT-proces.
Terzijde: die ingangen zijn natuurlijk geen vaste ‘types’ en al zeker geen diagnose. Niemand is 100% ‘denker’, ‘voeler’ of ‘doener’. Voor mij waren ze vooral een extra handvat om ACT-interventies in te zetten op een manier die voor de cliënt meer vertrouwd en toegankelijk voelt.
Werkte ik bijvoorbeeld rond acceptatie, dan ging ik bij een cliënt die gemakkelijk reflecteert (ingang denken) eerst op een cognitieve manier onderzoeken wat hij probeert te controleren of vermijden, hoe dat werkt op korte termijn en welke prijs hij daarvoor betaalt. Was het waardenwerk, dan koos ik aanvankelijk ook daar een meer reflectieve ingang. Ik startte dus met een route die voor de cliënt vertrouwd en toegankelijk voelde.
Van aansluiten naar verruimen
Gaandeweg, vanuit die veilige basis, begon ik dan te verruimen. Dat is wel een belangrijke stap. Want het uiteindelijke doel is natuurlijk niet dat iemand steeds vanuit dezelfde ingang blijft functioneren, maar net dat er meer flexibiliteit ontstaat. Dat iemand dus gemakkelijker kan schakelen tussen denken, voelen en doen.
Na een tijdje begon ik dan ook bewust met andere ingangen te experimenteren, vooral wanneer ik merkte dat de voorkeursingang de ontwikkeling van het ACT-proces in de weg stond.
Bij een cliënt die gemakkelijk reflecteert, kan het blijven denken, analyseren en verklaren bijvoorbeeld acceptatie in de weg gaan staan. Dan kan het zinvol zijn om geleidelijk te verschuiven van begrijpen naar ervaren: wat gebeurt er als we even niet proberen het gevoel te verklaren, maar opmerken hoe het zich hier en nu aandient?
Maar evengoed kan die reflectieve ingang bij waardenwerk wél voldoende beweging brengen. Het gaat dus niet om een ‘goede’ of ‘slechte’ ingang, maar om de vraag of die ingang het ACT-proces ondersteunt of op termijn juist begint te belemmeren.
ACT in combinatie met integratief werken
Door ACT op deze manier te combineren met principes uit de integratieve psychotherapie merkte ik dat er iets veranderde. Ik merkte dat cliënten ‘meer mee waren’ wanneer ik niet alleen afstemde op het ACT-proces, maar ook op hun ingang. En ook zelf had ik meer flexibiliteit: ik kon hetzelfde proces op verschillende manieren benaderen.
Tegelijk begon ik daardoor ook met een andere blik naar mijn ACT-interventies te kijken. Als ik rond acceptatie, defusie of waarden wilde werken: welke mogelijkheden had ik dan eigenlijk voor iemand die vooral via denken aanhaakt? En welke voor iemand die gemakkelijker leert door te voelen of te doen?
Ik ontdekte dat mijn eigen gereedschapskist niet voor elk ACT-proces even goed gevuld was voor elke ingang. Daarom ben ik doorheen de jaren zelf interventies en tools beginnen aanpassen, ontwikkelen en schrijven. Wat ik niet zo erg vond, want ik schrijf gelukkig graag!
Daaruit ontstond mijn eigen manier van werken met ACT: flexibel én afgestemd op de ingang van de cliënt, met ruimte om te variëren tussen denken, voelen en doen.
Dat is uiteindelijk waar Anders met ACT voor mij over gaat. Niet anders dan ACT. Wel een extra laag afstemming bovenop een kader dat op zichzelf al behoorlijk flexibel is. 😉
Wil je hier zelf mee aan de slag? In het gratis actiekompas vind je een stappenplan voor flexibel afstemmen op proces én ingang, een checklist om de ingang van je cliënt te verkennen en twee concrete ACT-werkvormen.
Ze stond er een halfuur lang met tranen in haar ogen
Een zevenjarig meisje, een turnbalk en een halfuur lang tranen in haar ogen. Het tafereel zette me als psycholoog aan het denken: waar zit de inflexibiliteit eigenlijk? Bij het individu, in de omgeving of in de wisselwerking tussen beide? Een reflectie over ACT, faalangst en waarom psychologische flexibiliteit nooit losstaat van het systeem waarin iemand zich bevindt.
Over psychologische flexibiliteit in een inflexibele context
Toen ik mijn dochter had afgezet aan de recreatieve turnles, bleef ik even kijken naar de turnles van de topsporters, die op hetzelfde moment bezig was in de sporthal ernaast. Ik was gecharmeerd door de kleine meisjes die sierlijk aan de brug zwierden en geconcentreerd hun salto’s deden op de balk. Tot mijn oog viel op een meisje, ik schat ze een jaar of zeven, dat door angst werd verlamd.
Ze stond daar aan de balk, boog voorzichtig naar voren om een oefening te doen die ze maar niet afgewerkt kreeg, om vervolgens terug naar de startpositie te gaan. En dat opnieuw en opnieuw en opnieuw… Wel een halfuur lang stond ze daar, letterlijk ‘aan de balk genageld’, met tranen in haar ogen.
Op zich lijkt me dat niet uitzonderlijk als je topsport beoefent op dat niveau. Wat me echter vooral voor de borst stootte, is dat dat kleine meisje volledig aan haar lot werd overgelaten. Rondom haar oefenden en sprongen de andere meisjes gedisciplineerd verder. Geen van de aanwezige trainers leek contact met haar te maken. Het was een droevig tafereel dat in schril contrast stond met het vrolijke plaatje van de kleurrijke en blinkende turnpakjes.
De mama’s die hun dochters kwamen ophalen, voerden vervolgens geanimeerde gesprekken over faalangstbegeleiding en de noodzaak om hun dochters naar een psycholoog te sturen.
En daar begon het bij mij als psycholoog toch wat te wringen.
Ik weet uiteraard niet wat er precies speelde bij dit meisje, haar trainers of haar ouders. Maar het tafereel deed me wel wat fronsen.
Niet omdat psychologische begeleiding bij faalangst niet zinvol kan zijn, integendeel. Wel omdat problemen maar al te vaak vanuit een individueel perspectief worden benaderd. Net vanuit Acceptance and Commitment Therapy (ACT) vind ik het interessant om dan breder te kijken. ACT probeert in te zetten op het verhogen van psychologische flexibiliteit, vertrekkende vanuit het functioneel contextualisme: gedrag kunnen we niet los begrijpen van de context waarin het plaatsvindt.
Maar waar zit de inflexibiliteit hier eigenlijk? Bij het meisje? Bij de turnkring? Bij de ouders? Of in de wisselwerking tussen al deze partijen?
Ook een systeem kan rigide worden. Zeker wanneer presteren, winnen en potentieel benutten zo dominant worden dat andere waarden zoals plezier, veiligheid, autonomie of verbinding steeds verder naar de achtergrond verdwijnen en er nog maar weinig ruimte is voor angst, twijfel of falen.
Als we die bredere context buiten beschouwing laten, dreigen we faalangst vooral als een probleem van het individu te behandelen: zij moet leren omgaan met haar angst, zij moet veerkrachtiger worden, zij moet opnieuw over die balk. Terwijl misschien ook de omgeving iets te leren of te veranderen heeft.
Net vanuit die contextuele basis vind ik het daarom belangrijk om regelmatig uit te zoomen: wat maakt dit gedrag begrijpelijk in deze context? Wat gebeurt er in de wisselwerking tussen deze persoon en diens omgeving?
Niet om de verantwoordelijkheid volledig buiten het individu te leggen, maar om te onderzoeken waar er ruimte is voor verandering: bij de persoon, in de omgeving of in de wisselwerking tussen beide.
Misschien houdt haar angst haar inderdaad gevangen in een blokkade. Dan kan het waardevol zijn om haar stap voor stap te helpen ruimte te maken voor die angst en te ontdekken wat ze ondanks die angst wél kan en wil doen.
Maar dit vraagt om een warme, accepterende omgeving. Zeker bij een zevenjarige speelt co-regulatie nog een belangrijke rol. Psychologische flexibiliteit ontwikkelt zich niet in een vacuüm. Het is moeilijk om een kind aan te moedigen ruimte te leren maken voor angst wanneer het tegelijkertijd ervaart dat er in de omgeving weinig ruimte is voor die angst.
Een trainer kan contact maken, erkenning geven en samen zoeken naar een haalbare volgende stap. Zo ontstaan nieuwe leerervaringen: ik mag bang zijn, ik sta er niet alleen voor én ik kan ontdekken wat ik ondanks die angst wél kan en wil doen.
Psychologische flexibiliteit mag nooit betekenen dat we een kind flexibel genoeg proberen te maken om zich aan te passen aan een inflexibele context.
Dat vraagt ook iets van ons als therapeut: dat we niet te snel inzoomen op wat er ‘misloopt’ bij het kind voor ons, maar regelmatig durven uitzoomen. Bij (ACT-)therapie met kinderen ligt het gelukkig vaak voor de hand om de omgeving expliciet mee te nemen. Ze zijn immers sterk afhankelijk van ouders, school, trainers en andere volwassenen rondom hen.
Maar misschien mogen we nog verder uitzoomen. Naar het grotere geheel. Naar de maatschappij, maar ook naar onze eigen rol als ouder, opvoeder of trainer. Naar de druk die we kinderen opleggen, de verwachtingen die we van hen hebben en de plek die angst, twijfel en falen daarin mogen innemen.
Misschien hoeven we niet alleen onze kinderen flexibeler leren omgaan met de wereld, maar mogen we ook proberen de wereld wat flexibeler voor hen te maken.
Betekenis vind je niet alleen in je hoofd
Betekenis vind je niet alleen in het hoofd van je cliënt. In waardenwerk blijven we vaak hangen in zelfreflectieopdrachten en analyse, terwijl betekenis zich net zo goed, en soms nog beter, al doende ontvouwt. Daarom is het als ACT-professional zo waardevol om naast klassieke denk-oefeningen ook werkvormen te gebruiken die vertrekken vanuit voelen en doen.
Betekenis vinden.
Ik heb die twee woorden altijd een mooie samenvatting gevonden van waardenwerk (als kernprincipe binnen Acceptance and Commitment Therapy ). Heel vaak lijken mensen de zoektocht naar zichzelf te zien als iets wat ze snel kunnen fixen met wat zelfreflectie. “Met die oefeningen ga ik het weten”. Zelden met veel succes.
Zelf zocht ik ook jarenlang naar antwoorden in mijn hoofd. Ik wilde graag iets doen als ondernemer naast mijn cliëntenwerk, maar wat? Heel lang puzzelde ik aan een stresstraject zonder goed te weten wat ik er nu eigenlijk mee wilde doen…
Tot ik op zolder een oude poëziebundel terugvond die me herinnerde aan het feit dat ik als kind vaak schreef. Gedichtjes. Lossen zinnen op papier. Als puber maakte ik ooit een muziekmagazine.
Omdat ACT me leerde dat je kindertijd vaak sporen bevat van wat écht bij je past, nog vóór je je aanpast aan alles en iedereen, ben ik opnieuw gaan schrijven. Gewoon voor de fun. En toen gebeurde er eigenlijk iets heel bijzonder.
Door hobby-gewijs teksten te schrijven op mijn Instagramaccount @depoeziepsycholoog, vaak ACT-geïnspireerd, popte het idee van een kaartendeck op. Niet veel later ontstond het plan van een alomvattende ACT-toolbox. Eentje die toeliet om heel erg op maat te werken van cliënten. En daarmee had ik dus plots een concreet idee.
Achteraf zie ik nu dat schrijven altijd al een rode draad voor me was. Ik heb altijd veel voldoening gehaald uit het bedenken van inhoud voor trainingen of het schrijven van boeken. Het schrijven lag bijna letterlijk voor mijn neus. En toch kon ik daar rationeel, met mijn hoofd, niet ‘bij’. Het is pas toen ik alle verwachtingen losliet, door af en toe iets waardevols te doen, dat betekenis bijna vanzelf naar boven kwam.
Daarom vind ik het zo belangrijk dat we als ACT-therapeuten klassieke waardenoefeningen die vooral het denken aanspreken (zoals een waardenlijst), aanvullen met andere werkvormen die vertrekken vanuit voelen of doen.
Cliënten die sterk in hun hoofd zitten, zullen zich aanvankelijk wel het meest comfortabel voelen bij die typische reflectieopdrachten. Dat is omdat denken hun ingang is (voor anderen kan dat voelen of doen zijn). Maar precies door daar te beginnen, ontdekken ze gaandeweg dat begrijpen alleen meestal niet de oplossing is. In die ervaring ontstaat dan ruimte om iets anders te proberen. Om meer te gaan ervaren en doen. En dan hebben we andere werkvormen nodig.
Dan kunnen we cliënten bijvoorbeeld uitnodigen om eens iets te doen wat ze als kind graag deden. Hen laten opmerken waar ze energie van krijgen. Hen vragen wat foto’s te maken van wat voor hen waardevol is.
Zo merken ze dat betekenis niet altijd meteen ontstaat, maar zich ook 'al doende' kan ontvouwen. Vergelijk het een beetje met rijden in het donker. Soms moet je gewoon beginnen rijden, zelfs al kan je je eindbestemming nog niet zien. Het is net door te rijden, dat je weg beetje bij beetje zichtbaar wordt. En je pad zich onderweg ontvouwt.
Betekenis kan je dus niet altijd bedenken.
Betekenis moet je soms gewoon vinden. Met tijd, geduld en opmerkzaamheid.
En de bereidheid om te zoeken.
Waarom goede voornemens weinig goeds beloven
Nu we het nieuwe jaar ingaan, zie ik ze weer overal opduiken: de goede voornemens, de uitgebreide lijstjes en to do’s, de wilde plannen voor het nieuwe jaar. En hoewel goede voornemens voor sommige mensen houvast geven, draaien ze heel vaak op teleurstelling uit.
Nu we het nieuwe jaar ingaan, zie ik ze weer overal opduiken: de goede voornemens, de uitgebreide lijstjes en to do’s, de wilde plannen voor het nieuwe jaar. Ook bij mijn cliënten trouwens.
En hoewel goede voornemens voor sommige mensen houvast geven, merk ik toch vaak hoe ze steeds weer op teleurstelling uitdraaien. Teleurstelling over wat er niet is afgevinkt. Over wat er niet is gelukt. “Ik ben weer niet afgevallen”. “Ik heb weer niet consequent gitaar geoefend”. “Ik ben weer geen drie keer per week gaan hardlopen”.
Het probleem met goede voornemens is dat ze ons vaak in een strak keurslijf duwen. Ze vertrekken vanuit sociale druk en onrealistische verwachtingen, en gaan meer over hoe we denken te moeten zijn. Ze komen van buitenaf, in plaats van van binnenuit.
Vaak gaat het om ‘geleende’ doelen: doelen die we overnemen van anderen, of van normen die ons (impliciet) worden opgelegd door onze omgeving, de maatschappij of sociale media. Denk aan regels over wat we wel of niet mogen eten, de 10.000 stappen die we zouden moeten zetten, de 10 kilometer die we moeten kunnen hardlopen, of een bepaald streefgewicht dat we moeten bereiken. Het liefst van al meten we dat dan ook nog eens via allerlei appjes, alsof we het luisteren naar ons eigen gevoel nog liever uitbesteden aan een toestel…
En hoewel zulke voornemens op zich niet verkeerd hoeven te zijn (als het werkt, waarom ook niet) worden ze al snel zwaar wanneer ze losstaan van wat we zelf belangrijk vinden. Wat begint als een mooie intentie, begint aan te voelen als ‘moeten’. En dat houden we natuurlijk niet lang vol. Daarenboven zien mensen niet meer wat er onderweg wél veranderde of goed ging. Misschien heeft het hardlopen plaats gemaakt voor een andere sport in de loop van het jaar? In de plaats van dat te zien, ligt de focus meestal op wat er niet is gelukt.
Daarom vind ik het veel krachtiger om te werken met waarden. Om een bepaalde richting of intentie te formuleren waarnaar je wil bewegen. Dat geeft veel meer ruimte en rust. Want hoeveel aandacht je aan een waarde geeft of hoe ze ingevuld wordt, kan doorheen het jaar wel wat verschuiven, hoewel de waarde zelf wél in het vizier blijft.
Neem bijvoorbeeld de waarde creativiteit. Voor mij uit zich dat de ene periode in schrijven of werkvormen bedenken, op andere momenten in dromen over de richting die ik professioneel wil uitgaan in de toekomst. En wie weet ooit in een opleiding zoals een schrijfcursus.
Wanneer je alleen oog hebt voor concrete activiteiten, kan het niet afvinken ervan al snel aanvoelen als falen. Wie werkt met waarden, blijft zoeken naar manieren om ze vorm te geven en laat zich minder ontmoedigen wanneer er tijdelijk wat minder ruimte voor is.
Daarom ben ik ook zo’n fan van Acceptance and Commitment Therapy (ACT). Het schuift waarden naar voren als een manier om betekenis te vinden en te blijven zoeken, zelfs met omwegen. Want ook als je even een zijweg inslaat, kan je koers houden zonder dat alles per se moet of zwaar begint te voelen.
Waarden zijn een kompas, geen eindbestemming die je moet bereiken.