Ze stond er een halfuur lang met tranen in haar ogen
Over psychologische flexibiliteit in een inflexibele context
Toen ik mijn dochter had afgezet aan de recreatieve turnles, bleef ik even kijken naar de turnles van de topsporters, die op hetzelfde moment bezig was in de sporthal ernaast. Ik was gecharmeerd door de kleine meisjes die sierlijk aan de brug zwierden en geconcentreerd hun salto’s deden op de balk. Tot mijn oog viel op een meisje, ik schat ze een jaar of zeven, dat door angst werd verlamd.
Ze stond daar aan de balk, boog voorzichtig naar voren om een oefening te doen die ze maar niet afgewerkt kreeg, om vervolgens terug naar de startpositie te gaan. En dat opnieuw en opnieuw en opnieuw… Wel een halfuur lang stond ze daar, letterlijk ‘aan de balk genageld’, met tranen in haar ogen.
Op zich lijkt me dat niet uitzonderlijk als je topsport beoefent op dat niveau. Wat me echter vooral voor de borst stootte, is dat dat kleine meisje volledig aan haar lot werd overgelaten. Rondom haar oefenden en sprongen de andere meisjes gedisciplineerd verder. Geen van de aanwezige trainers leek contact met haar te maken. Het was een droevig tafereel dat in schril contrast stond met het vrolijke plaatje van de kleurrijke en blinkende turnpakjes.
De mama’s die hun dochters kwamen ophalen, voerden vervolgens geanimeerde gesprekken over faalangstbegeleiding en de noodzaak om hun dochters naar een psycholoog te sturen.
En daar begon het bij mij als psycholoog toch wat te wringen.
Ik weet uiteraard niet wat er precies speelde bij dit meisje, haar trainers of haar ouders. Maar het tafereel deed me wel wat fronsen.
Niet omdat psychologische begeleiding bij faalangst niet zinvol kan zijn, integendeel. Wel omdat problemen maar al te vaak vanuit een individueel perspectief worden benaderd. Net vanuit Acceptance and Commitment Therapy (ACT) vind ik het interessant om dan breder te kijken. ACT probeert in te zetten op het verhogen van psychologische flexibiliteit, vertrekkende vanuit het functioneel contextualisme: gedrag kunnen we niet los begrijpen van de context waarin het plaatsvindt.
Maar waar zit de inflexibiliteit hier eigenlijk? Bij het meisje? Bij de turnkring? Bij de ouders? Of in de wisselwerking tussen al deze partijen?
Ook een systeem kan rigide worden. Zeker wanneer presteren, winnen en potentieel benutten zo dominant worden dat andere waarden zoals plezier, veiligheid, autonomie of verbinding steeds verder naar de achtergrond verdwijnen en er nog maar weinig ruimte is voor angst, twijfel of falen.
Als we die bredere context buiten beschouwing laten, dreigen we faalangst vooral als een probleem van het individu te behandelen: zij moet leren omgaan met haar angst, zij moet veerkrachtiger worden, zij moet opnieuw over die balk. Terwijl misschien ook de omgeving iets te leren of te veranderen heeft.
Net vanuit die contextuele basis vind ik het daarom belangrijk om regelmatig uit te zoomen: wat maakt dit gedrag begrijpelijk in deze context? Wat gebeurt er in de wisselwerking tussen deze persoon en diens omgeving?
Niet om de verantwoordelijkheid volledig buiten het individu te leggen, maar om te onderzoeken waar er ruimte is voor verandering: bij de persoon, in de omgeving of in de wisselwerking tussen beide.
Misschien houdt haar angst haar inderdaad gevangen in een blokkade. Dan kan het waardevol zijn om haar stap voor stap te helpen ruimte te maken voor die angst en te ontdekken wat ze ondanks die angst wél kan en wil doen.
Maar dit vraagt om een warme, accepterende omgeving. Zeker bij een zevenjarige speelt co-regulatie nog een belangrijke rol. Psychologische flexibiliteit ontwikkelt zich niet in een vacuüm. Het is moeilijk om een kind aan te moedigen ruimte te leren maken voor angst wanneer het tegelijkertijd ervaart dat er in de omgeving weinig ruimte is voor die angst.
Een trainer kan contact maken, erkenning geven en samen zoeken naar een haalbare volgende stap. Zo ontstaan nieuwe leerervaringen: ik mag bang zijn, ik sta er niet alleen voor én ik kan ontdekken wat ik ondanks die angst wél kan en wil doen.
Psychologische flexibiliteit mag nooit betekenen dat we een kind flexibel genoeg proberen te maken om zich aan te passen aan een inflexibele context.
Dat vraagt ook iets van ons als therapeut: dat we niet te snel inzoomen op wat er ‘misloopt’ bij het kind voor ons, maar regelmatig durven uitzoomen. Bij (ACT-)therapie met kinderen ligt het gelukkig vaak voor de hand om de omgeving expliciet mee te nemen. Ze zijn immers sterk afhankelijk van ouders, school, trainers en andere volwassenen rondom hen.
Maar misschien mogen we nog verder uitzoomen. Naar het grotere geheel. Naar de maatschappij, maar ook naar onze eigen rol als ouder, opvoeder of trainer. Naar de druk die we kinderen opleggen, de verwachtingen die we van hen hebben en de plek die angst, twijfel en falen daarin mogen innemen.
Misschien hoeven we niet alleen onze kinderen flexibeler leren omgaan met de wereld, maar mogen we ook proberen de wereld wat flexibeler voor hen te maken.