Sara Backx Sara Backx

Ze stond er een halfuur lang met tranen in haar ogen

Een zevenjarig meisje, een turnbalk en een halfuur lang tranen in haar ogen. Het tafereel zette me als psycholoog aan het denken: waar zit de inflexibiliteit eigenlijk? Bij het individu, in de omgeving of in de wisselwerking tussen beide? Een reflectie over ACT, faalangst en waarom psychologische flexibiliteit nooit losstaat van het systeem waarin iemand zich bevindt.

Over psychologische flexibiliteit in een inflexibele context

Toen ik mijn dochter had afgezet aan de recreatieve turnles, bleef ik even kijken naar de turnles van de topsporters, die op hetzelfde moment bezig was in de sporthal ernaast. Ik was gecharmeerd door de kleine meisjes die sierlijk aan de brug zwierden en geconcentreerd hun salto’s deden op de balk. Tot mijn oog viel op een meisje, ik schat ze een jaar of zeven, dat door angst werd verlamd.

Ze stond daar aan de balk, boog voorzichtig naar voren om een oefening te doen die ze maar niet afgewerkt kreeg, om vervolgens terug naar de startpositie te gaan. En dat opnieuw en opnieuw en opnieuw… Wel een halfuur lang stond ze daar, letterlijk ‘aan de balk genageld’, met tranen in haar ogen.

Op zich lijkt me dat niet uitzonderlijk als je topsport beoefent op dat niveau. Wat me echter vooral voor de borst stootte, is dat dat kleine meisje volledig aan haar lot werd overgelaten. Rondom haar oefenden en sprongen de andere meisjes gedisciplineerd verder. Geen van de aanwezige trainers leek contact met haar te maken. Het was een droevig tafereel dat in schril contrast stond met het vrolijke plaatje van de kleurrijke en blinkende turnpakjes.

De mama’s die hun dochters kwamen ophalen, voerden vervolgens geanimeerde gesprekken over faalangstbegeleiding en de noodzaak om hun dochters naar een psycholoog te sturen.

En daar begon het bij mij als psycholoog toch wat te wringen.

Ik weet uiteraard niet wat er precies speelde bij dit meisje, haar trainers of haar ouders. Maar het tafereel deed me wel wat fronsen.

Niet omdat psychologische begeleiding bij faalangst niet zinvol kan zijn, integendeel. Wel omdat problemen maar al te vaak vanuit een individueel perspectief worden benaderd. Net vanuit Acceptance and Commitment Therapy (ACT) vind ik het interessant om dan breder te kijken. ACT probeert in te zetten op het verhogen van psychologische flexibiliteit, vertrekkende vanuit het functioneel contextualisme: gedrag kunnen we niet los begrijpen van de context waarin het plaatsvindt.

Maar waar zit de inflexibiliteit hier eigenlijk? Bij het meisje? Bij de turnkring? Bij de ouders? Of in de wisselwerking tussen al deze partijen?

Ook een systeem kan rigide worden. Zeker wanneer presteren, winnen en potentieel benutten zo dominant worden dat andere waarden zoals plezier, veiligheid, autonomie of verbinding steeds verder naar de achtergrond verdwijnen en er nog maar weinig ruimte is voor angst, twijfel of falen.

Als we die bredere context buiten beschouwing laten, dreigen we faalangst vooral als een probleem van het individu te behandelen: zij moet leren omgaan met haar angst, zij moet veerkrachtiger worden, zij moet opnieuw over die balk. Terwijl misschien ook de omgeving iets te leren of te veranderen heeft.

Net vanuit die contextuele basis vind ik het daarom belangrijk om regelmatig uit te zoomen: wat maakt dit gedrag begrijpelijk in deze context? Wat gebeurt er in de wisselwerking tussen deze persoon en diens omgeving?

Niet om de verantwoordelijkheid volledig buiten het individu te leggen, maar om te onderzoeken waar er ruimte is voor verandering: bij de persoon, in de omgeving of in de wisselwerking tussen beide.

Misschien houdt haar angst haar inderdaad gevangen in een blokkade. Dan kan het waardevol zijn om haar stap voor stap te helpen ruimte te maken voor die angst en te ontdekken wat ze ondanks die angst wél kan en wil doen.

Maar dit vraagt om een warme, accepterende omgeving. Zeker bij een zevenjarige speelt co-regulatie nog een belangrijke rol. Psychologische flexibiliteit ontwikkelt zich niet in een vacuüm. Het is moeilijk om een kind aan te moedigen ruimte te leren maken voor angst wanneer het tegelijkertijd ervaart dat er in de omgeving weinig ruimte is voor die angst.

Een trainer kan contact maken, erkenning geven en samen zoeken naar een haalbare volgende stap. Zo ontstaan nieuwe leerervaringen: ik mag bang zijn, ik sta er niet alleen voor én ik kan ontdekken wat ik ondanks die angst wél kan en wil doen.

Psychologische flexibiliteit mag nooit betekenen dat we een kind flexibel genoeg proberen te maken om zich aan te passen aan een inflexibele context.

Dat vraagt ook iets van ons als therapeut: dat we niet te snel inzoomen op wat er ‘misloopt’ bij het kind voor ons, maar regelmatig durven uitzoomen. Bij (ACT-)therapie met kinderen ligt het gelukkig vaak voor de hand om de omgeving expliciet mee te nemen. Ze zijn immers sterk afhankelijk van ouders, school, trainers en andere volwassenen rondom hen.

Maar misschien mogen we nog verder uitzoomen. Naar het grotere geheel. Naar de maatschappij, maar ook naar onze eigen rol als ouder, opvoeder of trainer. Naar de druk die we kinderen opleggen, de verwachtingen die we van hen hebben en de plek die angst, twijfel en falen daarin mogen innemen.

Misschien hoeven we niet alleen onze kinderen flexibeler leren omgaan met de wereld, maar mogen we ook proberen de wereld wat flexibeler voor hen te maken.

Meer lezen
Sara Backx Sara Backx

Betekenis vind je niet alleen in je hoofd

Betekenis vind je niet alleen in het hoofd van je cliënt. In waardenwerk blijven we vaak hangen in zelfreflectieopdrachten en analyse, terwijl betekenis zich net zo goed, en soms nog beter, al doende ontvouwt. Daarom is het als ACT-professional zo waardevol om naast klassieke denk-oefeningen ook werkvormen te gebruiken die vertrekken vanuit voelen en doen.

Betekenis vinden.

Ik heb die twee woorden altijd een mooie samenvatting gevonden van waardenwerk (als kernprincipe binnen Acceptance and Commitment Therapy ). Heel vaak lijken mensen de zoektocht naar zichzelf te zien als iets wat ze snel kunnen fixen met wat zelfreflectie. “Met die oefeningen ga ik het weten”. Zelden met veel succes.

Zelf zocht ik ook jarenlang naar antwoorden in mijn hoofd. Ik wilde graag iets doen als ondernemer naast mijn cliëntenwerk, maar wat? Heel lang puzzelde ik aan een stresstraject zonder goed te weten wat ik er nu eigenlijk mee wilde doen…

Tot ik op zolder een oude poëziebundel terugvond die me herinnerde aan het feit dat ik als kind vaak schreef. Gedichtjes. Lossen zinnen op papier. Als puber maakte ik ooit een muziekmagazine.

Omdat ACT me leerde dat je kindertijd vaak sporen bevat van wat écht bij je past, nog vóór je je aanpast aan alles en iedereen, ben ik opnieuw gaan schrijven. Gewoon voor de fun. En toen gebeurde er eigenlijk iets heel bijzonder.

Door hobby-gewijs teksten te schrijven op mijn Instagramaccount @depoeziepsycholoog, vaak ACT-geïnspireerd, popte het idee van een kaartendeck op. Niet veel later ontstond het plan van een alomvattende ACT-toolbox. Eentje die toeliet om heel erg op maat te werken van cliënten. En daarmee had ik dus plots een concreet idee.

Achteraf zie ik nu dat schrijven altijd al een rode draad voor me was. Ik heb altijd veel voldoening gehaald uit het bedenken van inhoud voor trainingen of het schrijven van boeken. Het schrijven lag bijna letterlijk voor mijn neus. En toch kon ik daar rationeel, met mijn hoofd, niet ‘bij’. Het is pas toen ik alle verwachtingen losliet, door af en toe iets waardevols te doen, dat betekenis bijna vanzelf naar boven kwam.

Daarom vind ik het zo belangrijk dat we als ACT-therapeuten klassieke waardenoefeningen die vooral het denken aanspreken (zoals een waardenlijst), aanvullen met andere werkvormen die vertrekken vanuit voelen of doen.

Cliënten die sterk in hun hoofd zitten, zullen zich aanvankelijk wel het meest comfortabel voelen bij die typische reflectieopdrachten. Dat is omdat denken hun ingang is (voor anderen kan dat voelen of doen zijn). Maar precies door daar te beginnen, ontdekken ze gaandeweg dat begrijpen alleen meestal niet de oplossing is. In die ervaring ontstaat dan ruimte om iets anders te proberen. Om meer te gaan ervaren en doen. En dan hebben we andere werkvormen nodig.

Dan kunnen we cliënten bijvoorbeeld uitnodigen om eens iets te doen wat ze als kind graag deden. Hen laten opmerken waar ze energie van krijgen. Hen vragen wat foto’s te maken van wat voor hen waardevol is.

Zo merken ze dat betekenis niet altijd meteen ontstaat, maar zich ook 'al doende' kan ontvouwen. Vergelijk het een beetje met rijden in het donker. Soms moet je gewoon beginnen rijden, zelfs al kan je je eindbestemming nog niet zien. Het is net door te rijden, dat je weg beetje bij beetje zichtbaar wordt. En je pad zich onderweg ontvouwt.

Betekenis kan je dus niet altijd bedenken.

Betekenis moet je soms gewoon vinden. Met tijd, geduld en opmerkzaamheid.

En de bereidheid om te zoeken.

Meer lezen